Mogelijke oorzaken van banen c.q. strepen in het spuitwerk.

 

Tips voor het airless spuiten.

 

A Spuitdruk.

 

   Als er aan de buitenkant van de verfstraal aan weerskanten een extra baan

   ontstaat is er sprake van het z.g. "tailing"-effect.

   Dit kan verholpen worden door de druk van de pomp op te voeren ofwel de

   verf enigszins af te dunnen

 

 

 

 

airless spuitbeeld
    TAILING.                                GOED SPUITBEELD.

 

     Op bovenstaande foto is de tailing op de bovenste 2 banen goed te zien.

      In dit geval (een luchtairlesspomp) had men de pompdruk te laag afgesteld,

     deze stond op 4 bar.

     Nadat de pompdruk was opgevoerd naar 5 bar. was de tailing weg en kon men

     de onderste 2 spuitstrepen maken wat een goed spuitbeeld laat zien.

  

Spuitafstand.

   Als het pistool te dicht op het object wordt gehouden krijgt de verf geen

   kans om zich voldoende te verdelen. Als men de verfstraal even tegen het 

   licht houd kun je zien op welke afstand de verfverdeling optimaal is.

   Die afstand moet ook tijdens het spuiten worden aangehouden.

 

Slijtage.

   Als er met een versleten sproeier (nozzle of tip) wordt gewerkt krijg je in het

   midden van de straal te veel verf en zal de verfverdeling niet goed worden,

   dus een nieuwe sproeier aanbrengen.

  

Spuithoek.

   Als er met een sproeier met een te smalle spuithoek wordt gewerkt moeten er

   veel banen precies naast elkaar worden gespoten om een aansluitend vlak te

   bereiken. In de praktijk is dat erg moeilijk en zal dat bijna altijd een

   ongelijke verflaag veroorzaken.       

   Grote oppervlakken worden meestal met een spuithoek van minimaal

   50 graden gespoten.

 

Bediening.

   Tijdens het spuiten moet na elke spuitbeweging de trekker worden losgelaten.

   Als men constant doorspuit zonder de trekker los te laten krijg je op de

   keerpunten een plek met extra dikke verflaag zodat geen gelijkmatig

   oppervlak tot stand komt .

spuiten met airless

  Hoe te spuiten met een airless spuitpistool.

Houd het airless spuitpistool op ongeveer 30 cm van het te spuiten oppervlak en houdt het recht ten opzichte van het te spuiten oppervlak .

spuiten met airless

  

Beweeg het airless spuitpistool evenwijdig aan het te spuiten oppervlak, zorg ervoor dat de afstand tot het te spuiten oppervlak gelijk blijft plusminus 30 cm.  Handleiding voor het spuiten van grote oppervlakken.

  1.  Pistool haaks op het oppervlak houden. (Als dit niet gelijkmatig gebeurt wordt de vloeistof niet gelijkmatig verdeeld.)
  2.  Afstand tov. het oppervlak gelijk houden want de afstand is bepalend voor de straalbreedte. (Als dit niet gebeurt zal de straalbreedte verschillen en de laagdikte niet overal gelijk zijn.)
  3. De trekker in de beweging overhalen. (Als men de trekker overhaalt en dan pas met de beweging begint krijgt men aanzetten ofwel een opeenhoping van vloeistof ofwel een ongelijkmatig aangebrachte laag.)
  4.  Aan het einde van een baan trekker loslaten, en dan opnieuw met de volgende baan beginnen. (Als men de trekker op het keerpunt vast houdt krijgt men daar een kort moment van stilstand en een opeenhoping van vloeistof met overlappingen ofwel een ongelijkmatig aangebrachte laag.)
  5.  Het pistool gelijkmatig (met dezelfde snelheid) bewegen, want deze snelheid is bepalend voor de laagdikte. (Als de bewegingssnelheid verschillend is, wordt ook de laagdikte verschillend)
  6.  Als men nog hogere eisen aan het te spuiten oppervlak stelt kan men eventuele banen c.q. streepwerking corrigeren door de banen voor de helft te overlappen. Nog beter is het om de tweede laag dan kruislings aan te brengen.

 

   MOGELIJKE STORINGEN BIJ AIRLESSSPUITEN.  

           STORING
 

              OORZAAK
                

     MOGELIJKE  OPLOSSING        
 

 Sinasappeleffect.                  Te lage spuitdruk.                   Verhoog de spuitdruk.               
 Erg veel spuitnevel.   Te hoge spuitdruk.
 Materiaal te dun.
 Verlaag de spuitdruk.
 Gebruik minder verdunning.
 Te grote straalbreedte.  Spuittip met te grote
 spuithoek.
 Kies een spuittip met een
 kleinere spuithoek.
 Te kleine straalbreedte.  Spuittip met te kleine
 spuithoek.
 Kies een spuittip met een
 grotere spuithoek.
 Te veel materiaal opbrengst.  Te grote spuittip.
 Materiaal te dun.
 Spuitdruk te hoog.
 Gebruik een kleinere spuittip.

 Verlaag de spuitdruk.
 Te weinig materiaal opbrengst.  Te kleine spuittip.  Neem grotere spuittip.
 Materiaal te dik.
     
 Teveel opbrengst in het
 midden v/d straal.
 Versleten spuittip.
 Verkeerde spuittip.
 Vervang spuittip.
  
 Materiaal vloeit niet mooi  Materiaal te dik  Materiaal verdunnen
 Spuitpatroon niet gelijkmatig.   Spuittip vervuild.
 Spuittip beschadigd.

 Spuittip schoonmaken of
 Spuittip vervangen.

     
 Te veel materiaal op
 tiphouder.

 Spuitpistool te dicht bij het
 te spuiten objekt.
 Te hoge spuitdruk.

 Houd het spuitpistool verder bij 
 het te spuiten objekt vandaan.
 Zet spuitdruk lager.
 Spatten uit spuittip na het
 spuiten.

 Naald en of naaldzitting van
 spuitpistool versleten.

 Spuitpistool heeft onderhoud
 nodig.
 Druppels langs spuittip.    Pakking of tip beschadigd.   Pakking vernieuwen.
 Spuittip vernieuwen. 
 Spuittip gaat gauw dichtzitten  Geen pistoolfilter in pistool.
 Pistoolfilter kapot.
 Pistoolfilter te grof. 

 Pistoolzeef controleren 
Voor gebruik,verf zeven.
 Altijd aanzuigfilter gebruiken.